22.04.1998, Krefeld, Symposium des INTERREG-II-Projektes

"Euregionalisierung der beruflichen Qualifizierung und der Erwachsenenbildung"

 

 

 

Ger Essers:

 

Grensoverschrijdend werken:

meer kansen dan problemen!

 

 

 

Geachte aanwezigen,

 

 

Allereerst wil ik mijzelf en mijn organisatie voorstellen. De organisatie waarvoor ik in deeltijd werk is de Nederlandse vakcentrale FNV, deze vakcentrale is min of meer vergelijkbaar is met de Duitse DGB. Ik ben bij deze organisatie deeltijd-euroconsulent hetgeen betekent dat ik burgers, die grensoverschrijdende willen gaan werken, dit doen of gedaan hebben adviseer op het terrein van de fiscaliteit, de sociale zekerheid, het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden. Mij woonplaats is de Gemeente Susteren. Deze gemeente grenst aan het meest westelijk punt van Duitsland en ligt op een zeer smal stukje Europa, Nederalnd is daar 6 km breed. De oostgrens van deze gemeente met Duitsland ligt op 6 km van de west-grens met België. Lopend ben ik binnen 5 minuten in Duitsland en fietsend lukt het mij om binnen 20 minuten in België te zijn.

 

 

Als euroconsulent ben ik verantwoordelijk voor grensarbeiders naar België en Duitsland en omgekeerd. Gelukkig doe ik dit werk niet alleen. Mijn activiteiten vinden plaats in het kader van het EURES-project (European Employment Services). Dit is een project van de Europese Commissie dat tot doel heeft om burgers - en met name werknemers - te helpen bij het in de praktijk brengen van ‘het recht op vrij verkeer’.

 

EURES is een menselijk netwerk van ca 400 euroconsulenten, die vooral werkzaam zijn bij de Europese arbeidsbureau’s. In de grensregio’s bestaan er ook euroconsulenten van de vakbonden. Deze laatste hebben niet als taak om werkzoekenden grensoverschrijdend te bemiddelen doch om grensarbeiders te informeren, te adviseren en te begeleiden in het geval van problemen.

 

In dit referaat wil ik vooral een overzicht geven van de kansen en mogelijkheden voor het grensoverschrijdend werken. Ik heb niet de neiging om een referaat te houden over de problemen van het grensoverschrijdend werken omdat dat mijns inziens al veel te vaak gebeurt. Op het terrein van het grensoverschrijdend werken bestaat een rijke traditie om - met veel subsidie - de problemen van grensarbeid te beschrijven en wetenschappelijk onderzoek te doen naar deze problemen zonder praktische oplossingen voor te stellen.

 

U kunt van mij aannemen dat er veel problemen zijn op het terrein van ‘het vrij verkeer van werknemers’. Ik wil echter deze voor u waarschijnlijk eerste ‘verkeersles" over ‘het vrij verkeer van werknemers’ niet beginnen met het opsommen van allerlei verkeersongevallen die zich kunnen voortdoen bij het vrij verkeer. Het is de bedoeling om u inzicht te geven in de wijze waarop het vrij verkeer van werknemers in de Europese Unie geregeld is.

 

U moet zich de Europese Unie voorstellen als een ingewikkelde lappendeken met zeer onderscheiden fiscale en sociale stelsels. Stelsels die sterk historisch bepaald zijn en die welhaast elk jaar worden geactualiseerd zonder dat men rekening houdt met de gevolgen, die deze veranderingen kunnen hebben op het grensoverschrijdend werken.

Het streven naar één geharmoniseerd sociaal zekerheids-l en fiscaal stelsel is meer dan ooit van de politieke agenda verdwenen. De politieke wil om de economische grenzen te verleggen naar Oost-Europa is vele malen groter dan de wil om de sociale binnengrenzen te verlagen

 

Indien men niet wil harmoniseren dan is noodzakelijk om de stelsels van fiscaliteit en sociale zekerheid met elkaar te coördineren, zodat de EU-burger die gebruik maakt van ‘het vrij verkeer van werknemers’ in ieder geval geen al te grote blikschade zal ondervinden als hij zich op een andere arbeidsmarkt begeeft om daar zijn brood te verdienen.

 

Het gaat daarbij niet alleen om grensoverschrijdend werken, doch ook om grensoverschrijdend wonen of grensoverschrijdend verliefd worden. Ook deze activiteiten gaan meestal gepaard met een dagelijks overgang van de ene lid-staat naar de andere lid-staat.

 

Vaak is grensarbeid een natuurlijke zaak: men woont op steenworp afstand van een grote stad in een andere lidstaat, het buurland. Het komt ook voor dat men ‘gedwongen’ wordt om op een buitenlandse arbeidsmarkt werk te zoeken omdat men in het eigen land niet zo veel kansen heeft. Even vaak komt het voor dat een werkgever een werknemer in een ander land gedetacheerd, in twee landen laat werken of zelfs het bedrijf én de werknemer overplaatst naar een andere lid-staat.

 

 

Ik zal u niet vermoeien met allerlei wetteksten en regels doch zal aan de hand van een aantal praktische voorbeelden aangeven op welke wijze de sociale en fiscale stelsel gecoördineerd zijn.

 

Het is van belang om allereerst een onderscheid te maken tussen trans-nationaal grensoverschrijdend werken en interregionaal grensoverschrijdend werken. Onder trans-nationaal werken versta ik die werknemer, die in Keulen woont en zich naar Amsterdam begeeft om aldaar te werken bij een Nederlandse werkgever. Onder het interregionale grensoverschrijdend werken versta ik die werknemer, die in Venlo woont en elke dag naar Krefeld gaat om daar te werken bij een Duitse werkgever (de traditionele grensarbeider).

 

Allereerst zal ik ingaan op het transnationale grensoverschrijdend werken: van Keulen naar Amsterdam of omgekeerd. In de Europese verordening 1612/68 is vastgelegd dat elke EU burger het recht heeft om in elke lid-staat werk te zoeken en als hij daar werk heeft gevonden dat hij voor wat betreft de sociale zekerheid, de fiscaliteit en de arbeidsvoorwaarden niet gediscrimineerd mag worden.

 

Via het EURES-project kan de werkzoekende bemiddeld worden. Hij kan bijvoorbeeld bij de euroconsulent in Keulen informeren of er vanuit Nederland vacatures gemeld zijn. Ook kan hij naar Amsterdam gaan om daar werk te zoeken. Hij kan zich laten inschrijven bij een Nederlands arbeidsbureau, bij een uitzendbureau of via de krant solliciteren op vacatures. Het zal de Duitse werkzoekende echter enige tijd kosten om zijn weg te vinden op de voor hem ondoorzichtige Nederlandse arbeidsmarkt.

 

De vraag is of de Duitse werkzoekende van zijn uitkeringsinstantie - in dit geval het Arbeitsamt in Keulen - de kans krijgt om met behoud van zijn Duitse werkeloosheidsuitkering werk te zoeken in Nederland. Het antwoord is: ja.

 

Om het vrij verkeer van werknemers en met name werkzoekenden mogelijk te maken, is in de Europese Verordening 1408/71 geregeld dat elke EU-werkzoekende 3 maanden - met behoud van zijn uitkering - werk mag gaan zoeken in een andere lid-staat . De Duitse werkzoekende zal zich in Nederland wel moeten onderwerpen aan de plichten zoals deze gelden voor de Nederlandse werkzoekenden. De uitkeringsinstantie in Amsterdam - het Gak - zal ten laste van (op kosten van) de Duitse uitkeringsinstantie -het Arbeitsamt in Keulen - de Duitse werkloosheidsuitkering uitbetalen. Om dit alles administratief te regelen zal de Duitse werkzoekende vooraf in Keulen een E-303 formulier moeten aanvragen en dit in Amsterdam inleveren bij de Nederlandse uitkeringinstatie, die vervolgens zorg zal dragen voor controle en uitbetaling van de Duitse werkloosheidsuitkering.

 

Indien de Duitse werkzoekende binnen drie maanden géén werk heeft gevonden in Amsterdam, dan zal zij terug moeten keren naar Duitsland alwaar de uitkering normaal voorgezet wordt.

 

In die periode van 3 maanden kan de Duitse werkzoekende zich oriënteren op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zo kan hij o.a gebruik maken van de faciliteiten van de loketten van de Internationale Diploma Waardering, die hem inzicht verschaffen in de waarde van haar Duitse diploma’s op de Nederlands arbeidsmarkt. Uiteraard kan hij zich melden bij een van de honderden uitzendbureau die er in Amsterdam zijn en zich laten adviseren door de medewerkers het Nederlandse arbeidsbureau.

 

Stelt u zich voor dat de Duitse werkzoekende in Nederland tijdelijk werk krijgt. Op dat moment heeft hij dezelfde rechten en plichten als zijn Nederlandse collega’s, Hij is sociaal verzekerd in Nederland, betaalt er belasting en het arbeidsrecht en CAO zijn op hem van toepassing. Op het moment dat het arbeidscontract van de Duitse werknemer opgezegd wordt of afloopt, heeft hij recht op een Nederlandse werkloosheidsuitkering. Nu heeft men in Nederland pas recht op een werkeloosheidsuitkering, indien men in de laatste 39 weken 26 weken heeft gewerkt en verzekerd is geweest. Indien de Duitse werknemer slechts 24 weken gewerkt heeft dan zou hij dus geen recht hebben op een Nederlandse werkloosheidsuitkering.

 

Teneinde het vrij verkeer van werknemers mogelijk te maken is in de Europese verordening 1408/71 vastgelegd dat de verzekeringstijdvakken in alle EU-landen mee moeten tellen. Dit betekent dat Duitse verzekeringstijdvakken van de werkloos geworden Duitse werknemer - indien hij kan aantonen dat hij in Duitsland verzekerd is geweest - door Nederlandse uitkeringinstantie opgeteld moeten worden bij de Nederlandse verzekeringstijdvakken. Het kost natuurlijk enige administratieve inspanning, doch indien de Duitse werkzoekende dit weet dan zal hij vooraf bij zijn Duits Arbeitsamt een E-formulier aanvragen. Door dit E-formulier te overleggen aan de Nederlandse uitkeringsinstantie kan hij namelijk bewijzen dat hij in Duitsland verzekerd is geweest, het E-formulier geeft namelijk een overzicht van de Duitse verzekeringstijdvakken.

 

In het geval de Duitse werknemer is Nederland een tijdelijke baan heeft gehad (bijv project-werk of seizoenarbeid) heeft de Duitse werknemer uiteraard het recht om terug te keren naar Duitsland. Er was in dit geval wellicht sprake van ‘tijdelijk verblijven’ i.p.v. van ‘definief wonen’ in Nederland. De werkloos geworden Duitse werknemer kan indien hij denkt dat hij in Duitsland toch meer kansen op de arbeidsmarkt heeft dan in Nederland, terug gaan naar Keulen. Hij heeft daar dan recht op een Duitse werkloosheidsuitkering, waarbij het Arbeitsamt zijn verzekeringstijdvakken in Nederland gelijk moet stellen aan Duitse verzekeringstijdvakken.

 

Als de werkloos geworden Duitse werknemer van mening is dat hij toch meer kansen heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt dan kan hij kiezen voor een Nederlandse werkloosheidsuitkering. De transnationale grensoverschrijdende werknemer heeft dus in principe het keuze-recht, indien er sprake is van een tijdelijk arbeidscontract.

 

Het is zelfs voor de werkloos geworden Duitse werknemer in Amsterdam mogelijk om met behoud van een Nederlandse uitkering 3 maanden naar Oostenrijk te gaan om daar werk te zoeken op de Oostenrijkse arbeidsmarkt. Indien dit niet lukt, dan zal de Duitse werkzoekende naar Nederland terug kunnen keren en heeft hij recht op voortzetting van de Nederlandse werkeloosheidsuitkering.

 

U kunt zich voorstellen dat de Duitse werknemer in Nederland verliefd wordt en blijft wonen en werken in Nederland. Hij kan de pech hebben dat hij arbeidsongeschikt wordt. Welke rechten heeft hij dan? En hoe zit het met de in Duitsland opgebouwde rechten voor de Duitse arbeidongeschiktheidsverzekering? Op het moment dat hij in Nederland werkt is hij in Nederland verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Indien hij 100% arbeidsongeschikt wordt, dan heeft hij in principe recht op een volledige Nederlandse uitkering, die 70% van het laatstverdiende loon bedraagt. Wel is het zo dat de Nederlandse uitkeringsinstantie - het Gak - voor de Duitse werknemer een arbeidsongeschiktheiduitkering zal aan vragen in Duitsland. Indien deze Duitse werknemer naar Duits recht arbeidsongeschikt verklaard wordt en recht heeft op een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan zal deze in mindering gebracht worden op de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien de Duitse werknemer naar Duits recht niet arbeidsongeschikt verklaard wordt - hetgeen in ons verenigd Europa mogelijk is -dan heeft hij recht op de volledige Nederlandse uitkering.

 

Tot zover de transnationale werknemer, die vanuit Keulen naar Amsterdam kwam om werk te zoeken. Voor de omgekeerde situatie- vanuit Amsterdam werk zoeken in Keulen - gelden dezelfde coördinatieregels. Zij gelden ook voor Prins Claus, Rudi Carell en de vele Nederlandse voetballers in Duitsland.

 

Ik heb de trans-nationale Duitse werknemer werkloos en arbeidsongeschikt laten worden en heb laten zien op welke wijze de opgebouwde sociale zekerheidrechten in Duitsland en Nederland behouden blijven op grond van de Europese Verordening 1408/71, die de coördinatie van de wettelijke sociale zekerheidsstelsels regelt. Uiteraard gelden er voor de ouderdoms- en nabestaandenpensioenen ook de coördinatieregels, die er op neer komen dat opgebouwde rechten behouden en erkend worden en dat de uitkeringen geëxporteerd kunnen worden

 

 

Nu het interregionale grensoverschrijdend werken d.w.z de grensarbeider die in Maastricht woont en in Aken werkt of de grensarbeider, die in Krefeld woont en in Venlo werkt.

 

Ik zal volstaan met het geven van de belangrijkste ‘verkeersregels" bij grensarbeid tussen Nederland en Duitsland voor wat betreft de actieve grensarbeider, die in de ene lid-staat in loondienst werkt en in het andere lid-staat woont.

 

De hoofdlijnen van de regelgeving in het geval van een grensarbeider zijn geregeld in internationale verdragen.

 

 

 

 

Laten ik beginnen met het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden. Juridisch is dit zeer eenduidig geregeld omdat op dit terrein het arbeidsrecht en de arbeidsvoorwaarden van het werkland van toepassing zijn.

 

De problemen die zich daar bij voordoen zijn van sociaal-psychologische aard. De grensarbeider moet zich aanpassen aan een stelsel van arbeidsverhoudingen dat op bepaalde terreinen in Duitsland anders geregeld is dan in Nederland.

 

Zo zal de Duitse grensarbeider moeten wennen en accepteren dat

 

er in Nederland géén ongevallen- en beroepsziekteverzekering bestaat

 

dat de vakantiegeld wettelijk geregeld is (nl 8% vakantiegeld uit te betalen in de maand mei)

 

dat er in Nederland een wettelijk minimumloon bestaat

 

dat er geen Krankengeld wordt uitbetaald doch dat bij ziekte loondoorbetaling 52 weken bedraagt

 

en dat er in de Nederlandse CAO’s vele afspraken zijn gemaakt over aanvullende sociale zekerheid.

 

 

De Nederlandse grensarbeider zal moeten wennen en accepteren dat

 

er in Duitsland géén wettelijk vastgesteld minimumloon resp. en wettelijk vastgesteld vakantiebijslag bestaat

 

dat er veel minder sprake is van bedrijfsspecifieke pensioenregelingen

 

dat men ontslagen kan worden zonder voorafgaande toestemming van het arbeidsbureau of de rechter

 

dat bij ziekte 78 weken ziektegeld wordt uitbetaald i.p.v. van een loonbetaling in Nederland

 

dat er in Duitsland geen volksverzekeringen bestaan enz

 

 

Ik constateer in de praktijk dat de meeste grensarbeiders zich - ten gevolge van socialisatie en collegialiteit op de werkvloer - dit soort systeemverschillen snel eigen maken zonder daarbij in vooroordelen te vervallen als ‘in Duitsland of Nederland is alles beter geregeld’.

 

Dan de fiscaliteit. In het bilateraal belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is afgesproken dat de grensarbeider belasting betaalt in het werkland. De verschillen tussen beide belasting systemen zijn gelukkig niet meer zo groot. Er bestaan belastingvrije belastingbedragen, een aantal verschillende belastinggroepen en er is welhaast geen sprake meer van fiscale kinderaftrek. Er is natuurlijk wel er sprake van verschillende tarieven.

Voor grensarbeiders is geregeld dat zij - indien zij hun inkomen grotendeels verdienen in het werkland - dat zij dan dezelfde belastingvoordelen - d.w.z indeling in belastinggroep en aftrekposten - krijgen als de nationale werknemers. Problemen op dit terrein zijn er bij de overstap van het ene belastingsysteem naar het andere, omdat men dan binnen een belastingjaar zijn inkomen niet grotendeels in het werkland verdiend heeft, waardoor men vaak niet in de meest gunstige belastinggroep wordt ingedeeld.

 

Ook is het voor Nederlandse grensarbeiders niet mogelijkheid hebben om de rente, die zij betalen voor de hypotheek van de in het Nederland gelegen woonhuis, af te trekken van de Duitse belasting. Indien zij echter een in Nederland werkende partner hebben dan is het mogelijk dat deze partner de hypotheekrente aftrekt van haar Nederlandse belasting.

 

Overigens is het niet zo vanzelfsprekend om belasting te betalen in het werkland. Door dit systeem betaalt de Duitse grensarbeider, die niet in Nederland woont doch er alleen maar werkt, mee aan: het Nederlandse onderwijs, de aanleg van vliegvelden, spoorlijnen, dijken, de kosten van politie en justitie enz. Kortom zaken waar hij in het algemeen slechts beperkt gebruik van maakt.

 

 

Men zou ook kunnen besluiten om de grensarbeider in het woonland zijn belasting te laten betalen. Dit is het geval in het belastingverdrag tussen Nederland en België. U moet van mij geloven dat dit rampzalige gevolgen heeft omdat men in Nederland, veel minder dan in Duitsland, geen principieel onderscheid maken tussen belasting- en premieheffing. Dit zijn in Nederland communicerende systemen. En daardoor komt het voor dat de Belgische grensarbeiders in Nederland de hoge bijdragen/premies voor de sociale zekerheid betalen en in hun woonland België de hoge belastingen. Het omgekeerde ‘werken in België en wonen in Nederland’ is uiteraard weer wel aantrekkelijk. Deze grensarbeidersgroep betaalt in België lage bijdragen/premies voor de sociale zekerheid en in Nederland de lage belasting.

Samenvattend kan men stellen dat voor wat betreft de belasting er tamelijk weinig problemen zijn voor grensarbeiders tussen Nederland en Duitsland.

 

Dan de sociale zekerheid. Laten ik beginnen met de ziektekostenverzekering. De grensarbeider betaalt in het land waar hij werkt de wettelijke premies. Tegenover deze premieplicht in het werkland staat het recht om zowel in het werkland als in het woonland gebruik te maken van de gezondheidszorgvoorzieningen. Jammer genoeg heeft alleen de actieve grensarbeider dit keuzerecht. Dit in tegenstelling tot de familieleden, die slechts het recht hebben om in het woonland gebruik te maken van de gezondheidszorgvoorzieningen. Dit is niet problematisch voor de familieleden van de Duitse grensarbeider die in Krefeld woont en in Venlo werkt, omdat deze familieleden niet de neiging hebben om naar Venlo te gaan en daar gebruik te maken van de gezondheidszorgvoorzieningen. Dit in tegenstelling tot de Duitse families die in Vaals woont en waarvan de beide ouders in Duitsland werken. Voor deze familie is het natuurlijk wel vervelend dat hun kinderen niet mee genomen kunnen worden naar de Duitse tandarts, huisarts enz.

 

 

Als het aan het Europese parlement had gelegen hadden de familieleden van grensarbeiders al lang het recht gehad om in beide landen gebruik te maken van de gezondheidszorgvoorzieningen. Jammer genoeg heeft het grensarbeidersvriendelijk Europees parlement slechts adviesbevoegdheden. Naast het grensarbeidersvriendelijk Europees parlement is er ook nog het Hof van Justitie in Luxemburg, dat in zijn algemeen ook als grensarbeidersvriendelijk kan worden beschouwd.

 

Dan de werkloosheidregelingen. In principe heeft een grensarbeider recht op een werkloosheidsuitkering in het land waar hij woont. Dit is zo geregeld omdat men ervan uitgaat dat de werkeloze grensarbeider in het land waar hij woont de grootste kansen heeft op de arbeidsmarkt. Bij de hoogte en duur van de werkeloosheidsuitkering moet het woonland daarbij uiteraard rekening houden met het loon dat in het werkland verdiend werd en moeten de verzekeringstijdvakken in het buurland gelijkgesteld worden aan verzekeringstijdvakken in het woonland. Kortom ‘de opgebouwde werkloosheidsuitkeringsrechten’ gaan niet verloren. Overigens is het zo dat een Duitse grensarbeider, die in Nederland woont en bijvoorbeeld geen Nederlands spreekt, toch recht kan hebben op een Duitse uitkering indien hij op de Nederlandse arbeidsmarkt geen kansen heeft. Doch dit is een uitzondering op de hoofdregel, die stelt dat de werkloos geworden grensarbeider in principe recht heeft op een werkloosheidsuitkering in het woonland (ook als hij daar nog nooit gewerkt heeft).

 

Op het terrein van de arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft de grensarbeider Nederland - Duitsland te maken met twee verschillende verzekeringssystemen.

 

De Nederlandse arbeidsongeschiktheidsverzekering is een z.g. risicoverzekering, hetgeen wil zeggen dat de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering onafhankelijk is van het aantal jaren dat men verzekerd is geweest. Dit wil zeggen dat men indien men 100% arbeidsongeschikt wordt na 1 jaar werken, men recht heeft op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering, die 70% van het laatstverdiende loon bedraagt.

 

De Duitse arbeidsongeschiktheidsverzekering is een z.g. opbouwverzekering, hetgeen wil zeggen dat de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk is van het aantal jaren dat men verzekerd is geweest. Hoe langer men verzekerd is geweest des te hoger is de uitkering.

 

De vraag is: op welke wijze heeft men in de Verordening 1408/71 deze beide verschillende typen arbeidsongeschiktheidsverzekeringen gecoördineerd?

 

De wijze waarop de beide stelsels zijn gecoördineerd is afhankelijk van het soort grensarbeid. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een Duitse grensarbeider, die in Nederland werkt en een Nederlandse grensarbeider die in Duitsland werkt.

 

 

Allereerst de Duitse grensarbeider die in Nederland werkt en die bijvoorbeeld - voordat hij in Nederland werkte - in Duitsland nog 5 jaar gewerkt heeft en verzekerd is geweest. Indien deze Duitse grensarbeider na 5 jaar werken in Nederland arbeidsongeschikt wordt, dan was hij ten tijde van het werken in Nederland verzekerd in een risicostelsel. Er wordt dan naar Nederlands sociaal recht vastgesteld of hij arbeidsongeschikt is en op grond daarvan krijgt hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering alsof hij altijd in Nederland gewerkt heeft, d.w.z. 70% van het laatst verdiende loon in het geval van volledige arbeidsongeschiktheid. Desalniettemin zal de Nederlandse uitkeringsinstantie - het Gak - een aanvraag doen voor een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op grond van het Duitse sociale recht wordt vastgesteld of de Duitse grensarbeider arbeidsongeschikt is. Indien dit het geval is dan zal de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering gekort worden met het bedrag waarop de Duitse grensarbeider recht heeft in Duitsland, waar hij immers ook 5 jaar gewerkt heeft. Indien de grensarbeider naar Duits recht niet arbeidsongeschikt verklaard wordt - hetgeenmogelijk is - dan heeft de Duitse grensarbeider recht op de volledige Nederlands arbeidsongeschiktheidsuitkering alsof hij altijd in Nederland gewerkt heeft.

 

De omgekeerde richting is ietwat problematischer. In het geval van een Nederlandse grensarbeider die in Duitsland werkt is deze verzekerd in Duitsland tegen arbeidsongeschiktheid door middel van een verzekering, die gekarakteriseerd kan worden als een opbouwverzekering. Stel dat een Nederlandse grensarbeider eerst 5 jaar in Nederland heeft gewerkt - alwaar hij verzekerd was in een risicostelsel- en daarna 5 jaar in Duitsland. Op het moment dat hij arbeidsongeschikt wordt heeft hij recht op een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Duitse uitkeringsinstantie moet dan uitrekenen op hoeveel arbeidsongeschiktheidsuitkering de grensarbeider recht zou hebben als hij 10 jaar in Duitsland gewerkt zou hebben en moet daarvan het 5/10 deel uitbetalen. De Nederlandse uitkeringsinstantie moet doen alsof de grensarbeider 10 jaar in Nederland heeft gewerkt en moet daarvan 5/10 deel uit betalen. De grensarbeider heeft dus recht op twee pro-rata arbeidsongeschikheidsuitkeringen.

 

Daarbij doen zich in de praktijk wel eens problemen voor, die veroorzaakt worden door het feit dat men in Duitsland twee arbeidsongeschiktheidsklassen kent en in Nederland zeven arbeidsongeschiktheidklassen. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een grensarbeider in Duitsland naar Duits recht niet arbeidsongeschikt verklaard wordt en in Nederland naar Nederlands recht slechts voor 40-60% arbeidsongeschikt verklaard wordt. In dit soort gevallen heeft de grensarbeider slechts recht op één kleine Nederlandse pro-rata uitkering gerelateerd aan een arbeidsongeschiktheidsgraad van 40-60%. Daar hij naar Duits recht niet arbeidsongeschiktheid is verklaard heeft hij geen recht op een Duitse pro-rata arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dat betekent echter dat deze grensarbeider die voor een deel nog arbeidsongeschikt is in Nederland en volledig arbeidsgeschikt is in Duitsland zeer waarschijnlijk recht heeft op een werkloosheidsuitkering naast zijn kleine Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.

 

 

Tot zover iets over de coördinatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Hoe is het geregeld met zaken als kinderbijslag en opvoedingsgeld?

 

In het geval van kinderbijslag is er vaak sprake van ‘samenloop’ van kinderbijslag. Dit doet zich voor indien de vrouw van de Nederlandse grensarbeider in Duitsland in Nederland werkt en de man als grensarbeider in Duitsland. De in Nederland werkende moeder heeft een dan voorrangsrecht op Nederlandse kinderbijslag. Indien blijkt dat de Nederlandse kinderbijslag lager is dan de Duitse kinderbijslag dan heeft de in Duitsland werkende vader een recht op aanvullende Duitse kinderbijslag tot het Duitse niveau. In het geval van 1 kind heeft een Nederlands gezin recht op ca DM 95 Nederlandse kinderbijslag per maand. In Duitsland heeft de grensarbeider recht op DM 220 per maand. Dit betekent dat de grensarbeider per maand recht heeft op een aanvullende Duitse kinderbijslag van: DM 220 minus DM 95 is DM 125. Het coördinatieprincipe is dus zo dat een grensarbeidersfamilie altijd recht heeft op het hoogste niveau in geval van samenloop van kinderbijslag.

 

Overigens moet opgemerkt worden dat indien de moeder niet werkt in Nederland, dat in dit soort allleenverdienersfamilies, de in Duitsland werkende grensarbeider recht heeft op de volledige Duitse kinderbijslag. In dit soort gevallen schrijft de coördinatieverordening 1408/71 voor dat werklandbeginsel moet prevaleren.

 

Zeer interessant is het Erziehungsgeld, een regeling die men Nederland nog niet kent. Daar heeft men slechts recht op onbetaald deeltijd-ouderschapsverlof. Door een recente uitspraak van het Hof van Justitie is deze regeling ook van toepassing op grensarbeiders. Dit betekent dat de vrouw van de grensarbeider recht heeft op Duits Erziehungsgeld, indien zij voldoet aan de Duitse voorwaarden. Dus niet alleen de grensarbeider heeft recht op Erziehungsgeld doch ook de Nederlandse moeder - die niet in Duitsland woont, werkt of heeft gewerkt - heeft recht op Duits Erziehungsgeld. In het geval van geboorte zal de in Nederland werkende en wonende moeder onbetaald deeltijd-opvoedingsverlof opnemen in Nederland en zal zij het inkomensverlies dat zij heeft, compenseren door het Duitse Erziehungsgeld!

 

Kortom: in het geval van Erziehungsgeld heeft de grensarbeider - ten gevolge van een uitspraak van het ‘grensarbeidersvriendelijke’ Hof van Justitie - het recht om het Erziehungsgeld te exporteren en over te hevelen naar zijn partner, die zelf geen enkele binding heeft met het werkland van haar partner.

 

Op het terrein van de ouderdomspensioenen en nabestaandenpensioenen gelden identieke regelingen, die er op neer komen dat de opgebouwde rechten wederzijds erkend worden en dat deze pensioenen geëxporteerd kunnen worden.

 

 

Samenvattend:

 

Dit referaat had als titel ‘meer kansen dan problemen’ in het geval van grensoverschrijdend werken. Ik heb daarbij gewezen op een aantal mogelijkheden en regelingen die ‘het vrij verkeer van werknemers’ mogelijk maken.

U zult zich afvragen of er dan geen problemen op het terrein van het grensoverschrijdend werken. Natuurlijk zijn er problemen, doch dit zijn vooral ‘communicatieproblemen’ die veroorzaakt worden door het feit dat men als grensoverschrijdende werknemer te maken krijgt met ingewikkelde internationale verdragen coördinatieregelingen. Het is voor een ‘gewone grensarbeider’ moeilijk om inzicht te krijgen in de wetten en regelingen en de coördinatie van deze regelgevingen. In het gunstigste geval heeft hij enig inzicht in de wijze waarop zijn eigen sociale stelsel functioneert. Van de regelingen in het land waar hij gaat werken heeft hij meestal geen kennis en te zwijgen nog maar van de wijze waarop de beide sociale stelsel gecoördineerd zijn.

 

Deze coördinatie beperkt zich trouwens tot de wettelijk sociale zekerheidsstelsels. Daar waar het bovenwettelijke, aanvullende, vrijwillige en particuliere sociale verzekeringen betreft is er niets gecoördineerd. In tijden van deregulering, privatisering en flexibilisering van de sociale zekerheid e.d. is dit zeer problematisch.

 

Met name in Nederland is het proces van deregulering, privatisering zeer ver voortgeschreden met alle gevolgen van dien voor de grensoverschrijdende werknemer.

 

De oplossing van dit alles zou kunnen zijn ‘harmonisatie’ van de sociale zekerheid of te wel één Europees fiscaal- en sociaal zekerheidsstelsel. Doch dit is een utopie, omdat de politici in elke lid-staat - en trouwens ook de sociale partners - vasthouden aan het eigen nationale stelsel. Ondanks alle retoriek over convergentie - het naar elkaar toe groeien is er in de praktijk sprake van volstrekte subsidiariteit.

 

Een van de instrumenten, die men zou kunnen gebruiken om het grensoverschrijdend werken te niet verder te bemoeilijken is de z.g eurotoets. Dat wil zeggen dat de lid-staten verplicht worden om in het geval van veranderingen in de sociale en fiscale wetgevingen te toetsen of deze veranderingen niet nadelig zouden zijn voor grensarbeiders. Ik kan u vertellen dat er in de lid-staat Nederland geen politieke meerderheid bestaat voor deze euro-toets. De Nederlandse politici weigeren de veranderingen in de wetgeving te toetsen op de effecten die deze zouden hebben op de positie van de grensarbeiders in en vanuit de twee buurlanden.

 

Als Nederland met zijn twee buurlanden dit niet wil, dan kunt u wel raden hoe over een dergelijk grensarbeiderstoets gedacht wordt in België met 4 of Duitsland met 9 buurlanden.

 

Dit alles betekent dat het van essentieel belang blijft om de grensarbeiders goed voor te lichten, te adviseren en te begeleiden. Gelukkig is het zou dat er binnen de instellingen, die zich bezig houden fiscaliteit en sociale zekerheid, sprake is van een zeer grote solidariteit en klantvriendelijkheid ten opzichte van grensoverschrijdende werknemers.

 

Het probleem is echter dat deze instellingen er niet in slagen om ten behoeve van grensoverschrijdende werknemers samen te werken. Vaak heb ik het gevoel dat de grenzen tussen de instellingen nog hoger zijn dan de grenzen tussen de lid-staten.

 

Grensoverschrijdende werknemers hebben vaak hoge verwachtingen van ‘het sociale Europa’. Op het moment dat zij grensoverschrijdend werken merken zij dat een sociaal Europa niet bestaat en dat de sociale binnengrenzen vaak een ijzeren gordijn blijken te zijn. Het is mijn ervaring dat grensoverschrijdende werknemers deze werkelijkheid vrij snel accepteren, wat zij echter moeilijk accepteren is dat zij in het geval van informatie en advies en problemen ’van het kastje naar de muur’ gestuurd worden

 

Op het ogenblik kiest de meerderheid van de Europese bevolking in de Europese Unie voor uitbreiding van de economische buitengrenzen in plaats van verlaging van de sociale binnen grenzen, dan mag dit niet betekenen dat de pioniers van de binnenmarkt - de grensoverschrijdende werknemers - als stiefkinderen behandeld worden.

 

Het is daarom van het grootse belang dat zij de hun ‘recht op vrij verkeer’ willen benutten door grensoverschrijdend te gaan werken niet in de steek te laten. Het EURES-project -een menselijk netwerk van ca 400 euroconsulenten in de EU - is een project om diensten te verlenen aan die Europeanen, die grensoverschrijdend willen gaan werken, dit reeds doen of hebben gedaan.

 

Ik hoop dat duidelijk is geworden dat grensoverschrijdend werken een Europees grondrecht is, dat vooral problematisch is indien de grensoverschrijdende werknemers niet goed voorgelicht en begeleid worden.

 

Dat dit niet alleen een taak is van Euroconsulenten moge duidelijk zijn. Ook u als deelnemers van deze studiedag en waarschijnlijk betrokken bij grensoverschrijdende projecten heeft de morele plicht om - daar waar het mogelijk is - de sociale, culturele en educatieve Europese binnengrenzen te verlagen door informatie en uitwisseling. Ik wens u daarbij veel succes toe!

 

Handboek: ‘Werken in Duitsland’.

 

Een handboek (150 pag) voor werkzoekenden, grensarbeiders, gedetacheerden en gepensioneerde grensarbeiders

 

Auteur: Ger Essers (euroconsulent van de FNV-Limburg/Gelderland)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze en vele honderden andere vragen (ca 600 vragen/150 pagina’s) zijn van belang voor Nederlanders, die in Duitsland willen gaan werken, daar nu al werken of daar gewerkt hebben. Door dit handboek te gebruiken krijgt men als werkzoekende, grensarbeider en als post-actieve grensarbeider antwoorden op al die vragen, die men zou moeten stellen als men in Duitsland gaat werken. In de media wordt grensoverschrijdend werken als problematisch beschreven. Een groot deel van de problemen worden veroorzaakt door de ingewikkeldheid van de Duitse en Nederlandse sociale stelsels, de gecompliceerde regels in de Internationale verdragen, die het Nederlandse en Duitse stelsel coördineren én het ontbreken één sociaal euroloket voor grensoverschrijdende werknemers. Door alle sociale thema’s samenhangend in één handboek te beschrijven, wordt getracht te voorkomen dat de grensoverschrijdende werkzoekende en werknemer van ‘het kastje naar de muur’ gestuurd wordt of ‘von Pontius zu Pilatus geschickt wird’.

 

 

Over de schrijver: Ger Essers werkt als deeltijd FNV-euroconsulent. Hij is 1946 in Eurode (Kerkrade/Herzogenrath) geboren. Op het ogenblik woont hij - op steenworp afstand van het meest westelijk punt van Duitsland en op fietsafstand van België - in de Gemeente Susteren (NL). Zijn werkzaamheden als euroconsulent vinden plaats in het kader van het EURES-project, dat bestaat uit een netwerk van 400 euroconsulenten, die werkzaam zijn bij de vakbeweging, werkgeversorganisaties en arbeidsbureaus in Europa. Door middel van dit menselijk netwerk worden die burgers die grensoverschrijdend willen gaan werken of dit reeds doen, geholpen met het in de praktijk brengen van ‘het recht op vrij verkeer van werknemers’

 

Te bestellen bij FNV Limburg door overmaking van fl 25 (incl verzendkosten) op gironummer 456760 (ten name van: FNV-Limburg, Valkstraat 14, 6135 GC Sittard) onder vermelding van ‘Werken in Duitsland’.